Archief | februari 2014

Mangrove

taaie tenge takken
overluifelen de kreek
merk hoe vleerhonden zwermen
en hoe de kaaiman kweekt

van vuig slangengebroed
krioelt het koortsgewas
tussen knoken en schedels
bewaken zij ’t moeras

aanhoor de valse stilte
waarin geen vogel zingt
en voel het klamme dreigen
van gif dat lucht verdringt

De steengroeve

langs bruinbegrinde, knokige wegen,
dicht overluifeld door harsend groen,
vind ik, bij de heuvelkam gelegen,
een oudbegaaid, stoffig paviljoen

een roestig bord in gedeukt email,
bebaard met wolfsklauw en madelief,
vermeldt nog net ’t vergane detail :
“Attention ! Vorzicht ! Explosifs !”

een kuil met uitgehakte flanken
doemt dreigend op in het voordiep
bij hazelaars die ’t hek omranken
overschouw ik hoe het wild ontsliep

ooit werd de stilte hier beschoten
met ladingen op ’t middaguur
de groeve werd sindsdien gesloten
ten prooi aan ongerept natuur

genietend van de woudse rust
bespied ik een hagedis in de zon
die zich in karstholten verlust
versteend een bezige mier belonkt …

Ballooning

stuurloos uit hoge stratosferen
dalen we, door de wolken scherend,
verdwaald, door d’ochtendzon verblind,
afdrijvend op een zuidwestwind
over een gouw van woud en meren

verkleumd door kou bij hongersnood
na uren, wachtend op de dood,
lachen we samen opgelucht
ofschoon bij elke branderzucht
geen haas noch vogel bang wegschoot

we zweven over bos en schans
badend in rijke stralenglans
met ultraviolette gloed
die vreemd en irreëel aandoet
zingelend als een onbalans

er is geen mens, geen dier, doodstil
een molen kriepwiekt om zijn spil
na landing in een landerij
toont ons, vlakbij een boerderij,
een roestig naambord …..  Tchernob …

Noorderlicht

floersen van onweez’lijkheid
gedrapeerd in sluierlicht
weven zich boven de fjorden
tot een tijdloos minnedicht

helder doemt jouw silhouet
uit de diepe noordernacht
zwak en zachtdiffuus omstraald
in poëtisch pure pracht

uit het smetloos polychroom
van dit ijzige damast
dampt de schoonheid van je ziel
tot een kristallijn albast

Aalst : Kasteelke van Verdoemenis

verscholen in het wild struweel
langs de oude baan naar Gent
stond ooit een somber spookkasteel
in de omtrek wijd bekend

ooit sloeg de eigenaar van ’t pand,
van zinnen zwaar beroofd,
zijn gemalin met zware hand
een spijker door het hoofd 

in ’t kille licht der vollemaan
had hij haar lijf ontknookt
zich in zijn tuin van ‘t vlees ontdaan
haar schedel afgekookt 

het kaarsvet droop in ’t duister
langsheen haar drogend been
des nachts weerklonk gefluister,
en wars knarsend geween

 ’t kasteel, gehaat, gehoond
stonk zwaar naar zuur en pis
nooit werd het nog bewoond
‘t kreeg de naam “Verdoemenis”.

 

O Dierbaar België

O dierbaar België met 7 parlementen
een sliert ministers vol eigendunk en -lof
koester de geur van hun noble excrementen
geparfumeerd en ingeblikt voor ‘t Hof

Cabinetards, u bent daar met zo velen
roer ’t waterhoofd zodat het niet bevriest
en prijs uzelf, uw flair en eed’le delen
tot graaf, tot baron of tot markies (ter)

 

Antwerpen Centraal

de wijzers in het groot radiant
leunden tegen het avonduur
ik had wat tijd en genoot riant
van het dampende clair-obscur

mijn gedachten spoorden naar de zon
felrood onder het glazen fries
bij de kiosk op het perron
plantte ik hijgend mijn valies 

hier gonsde ’t van gezelligheid
onder de hoge stalen hemel
wereldgeluiden stegen wijd
uit ’t wervelend gewemel

geurgalmen brachten mij in roes
en baadden mij in zoemgeluiden
ik wentelde mij in die smeltkroes
en vluchtte dromend naar het zuiden 

in pluchen zetels, geboord met chroom
verbeeldde ‘k mij jouw hug en knuffel
gefluit haalde me uit mijn droom :
ik miste de boemel naar Steenhuffel …