Archief | maart 2014

A beautiful mind

ik duikel versnellend
door de Gulden Snede
door wolken van strikjes
in het onbegrensde niks

in verduizelde vaart
val ik onbegrijpend
tussen getallen en cijfers
in een ijle matrix

een doorzichtig blad
kleeft aan mijn handen
en groeit, zich ontrollend,
tot een oneindig helix

door irreëel licht 
verkleurt de pellicule
en verglijden de pixels
tot een fotografische mix 

ik zie met verbazing
dit wondere kleinood
waarop een patroon
ik herken het in een flits

ik begrijp nu waarheen
deze boodschap me wou :

dit is de code

de Code naar Jou !

 

 

Advertenties

bloesem

wit Haspengouws karaat
laat heuvels welig blozen
wijl hommels in hun raat
zich honingzat verpozen
 
zie ginds de kuikens hollen
achter hun moeder eend
onder stuifmeel en pollen
waggelend door de beemd
 
ik voel de warme lente
zuchtend door ’t ruisend riet
en hoor het zo bekende
herhaald meerstammig lied

 

Zeelui

schepen schuiven, statig, traag
voor de kusten van Cadzand
zeelui snuiven, schorrig, vaag
’t dagzomende Zeeuwse land

boven zilte zwinse polders
lachen belforten en kerken,
’t werk der oude vlaamse volders,
wakend over vlakke verten

achter windgekromde bomen
langs de vaarten en chaussees
prikkelen welig wulpse torens
hun vergeten zwakke vlees

want na weken vollezee
onder ’t stille sterrenlicht
wacht een gewijde prostituée
op hun zwaarwegende biecht

Het invalidenfonds

het zal u best niet overkomen
dat u bij kwaal of ongeval
mee in de maalstroom wordt genomen
van ons land’s Kafkaïaanse stal

want ‘t Vlaamse fonds voor invaliden
geeft u slechts moeizaam, desgevraagd,
een bingo-kaart die u moet gidsen
door ’t labyrint waar u zich waagt

langs paden naar heilige tempels,
met cabinetten vol experten,
voorzien van stethoscoop en stempels,
stuurt men u naar de verste verten

vaak loopt u daar op blinde muren
of belandt u in een pijpekop
u kan best snel een raadsman huren
of al uw rechten roken op

ze zijn het beu, uw lotgenoten,
door bureaucraten moegetergd
vanuit hun rolstoel zien ze geen kl*ten
over die groeiende papierberg

Adieu Mijnheer !

 

de schoolpoort spuwt zijn vloed
in joelzang door de straten
vakantie tegemoet
uitbundig, uitgelaten

een meisje dat verteerd
nog slentert door de gangen
hoopt nog een laatste keer
van hem een blik te vangen

zijn lege taalleerklas
een wagen sluit en start
zij drukt zich tegen ’t glas
met tranen in het hart

Adieu Mijnheer !

 

ten onder

 

mijn dood karkas
rust mijlen diep
waar het voorgoed
vergaan insliep

tijdloosheid spon
zijn kluwig garen
streelde mijn lichaam
tot bedaren

hoog boven mij
woedt nog de storm
waartegen ik
nooit meer optorn

eeuwig heugt mij
die agonie
en doemt eind’loos
de lethargie

van nu en straks

vandaag komt gisteren bevrijden
en morgen klopt een nieuwe dag
tot bij het einde van de tijden
gaat ‘t nu met ‘t later overstag

dagen verweken zienderogen
weken verdagen in een glimp
maar volgens vele astrologen
geeft het noodlot geen kramp noch  krimp

ooit zal het licht zich plots verscherven
zoals het ons ooit tegenkwam
dat laatste uur, ons uur van sterven
brengt ons terug bij d’oerste stam