Archief | april 2014

Een luie zomerdag in Haspengouw

(naar Guido Gezelle)

wijl ik zo gelegen was
met in d’hand een koel wijnglas,
zwikzwakkend in mijn hangmat
naast onze luie spinnekat,
genietend van de zonnestralen,
vrij van zorgen en van kwalen
zie ik, met lozen oogopslag,
al het schone van deze dag …

in mijn gedachten hoor ik haar
en haar stem klinkt lief en klaar :
hà, da’s goed, hij ligt te slapen
zal ik swijlst de appels rapen
en de peren, met naarstige spoed,
binst dat hij zijn tukske doet.”
toch geweldig hoe zo’n vrouwke
zorg draagt voor ‘t vermoeide pauwke !

hoor ! daar gaat de schuurpoort klingen
welk aireken zal ze zingen ?
zie ! daar komt ze aangekletterd
oei ! zij zingt zij niet, zij kettert !
lap ! daar hoor ik haar al klagen :
God man, gij verslaapt uw dagen !
in plaats van daar te liggen gapen,
kom drèk mee al ‘t fruit oprapen !!

Advertenties

Schietgebed

de kolf zat stevig in zijn hand
hij stond gereed om te gaan trekken
“Wat zal het zijn, mijn beste man ?
beslis het nu, aanstonds, ter plekke !” 

met ogen vol vertwijfeling
zocht ik naar iets achter zijn rug
hij werd nerveus, mijn aarzeling
duurde te lang : “komaan, man, vlug !” 

“ik heb beslist” zei ik aalglad
“neem mij dus niet meer op de korrel :
schenk mij geen biertje van het vat
maar liever zo een whiskey-borrel”

 

Valkenburg

waar Nederland ophoudt
Boergondië begint
en ’t bronsgroene hout
de heuvelrug tint

waar Neanderthalers
vuurstenen houwden
en vroege feodalers
het betere bier brouwden

waar de Geul zich schuurde
door ’t mergelmassief
en bokkeriejers vuurden
met een ruige brandbrief

daar kerfde ik haar naam
in de gelende rots
en gaf eeuwige faam
aan mijn Betty, mijn trots …

 

Knapvers

de stilte lokt mij naar de gouw
naar de gemoedsrust van de gaarden
waar pitfruit rijkelijk mag aarden
vredig naast vee en akkerbouw

dit landschap dat zachtgolvend glooit
doorkerfd, met diepgesneden paden
laat zich zeer vrouwelijk verraden
wanneer het zich met bloesems tooit

tot een landwind manmoedig zucht
de bodem met de blaadjes dekt
en stampertjes tot dracht bevrucht

zodat het fruit straks onbevlekt
de Haspengouwse schoot ontvlucht
en weelderig ter veiling trekt 

Kantklossen

garen, getwijnd tot guldendraad,
kruisigt zich klossend op het kussen
tot Vlaamse linnenslag of lussen
tot stof voor een gewijd gewaad

uit zijde die zich naadloos spint
wordt vlijtig dure kant geweven
geknoopt, gepaard, gespoeld, gedreven
tot openluchtjes of tot lint

bezield gaan zij verwoed te keer
speldend van Binche tot Kortenbos
zigzaggend, trossend, op en neer

geen ogenblik laat het hen los
zodat hun man vanavond weer
bedeesd toegeeft : “ik ben de klos !”

Havenkroeg

traag schoven zeilen boven ’t riet
in stilte af en aan
zacht zong de minnestreel zijn lied
bij d’heerd des herberg ‘In de Swaen’ 

verzanding in het Brugse Zwin
verdreef de lichtekooi
de kastelein vond nieuw gewin
met een copieuze waterzooi 

in zijn vernieuwde ‘In den Beer’
werd rijkelijk geschranst
alhier werd Spaens en Frans geleerd
en ’t Vlaemsch verbeulemanst

benden van hoog en laag allooi
troffen zich in dit hof
vandaag laten ze er hun fooi
aan één of and’re Ivanov 

zodra een ruim van smokkelwaar
zich boven Gent versast
wordt bij een wodka, koel en klaar,
de zaak onder de toog verkast

Meester en Slaaf

je snoert me het leder om het hoofd
maar ik verzet me gewild niet

je beveelt me schel en snauwend
maar ik discuteer absoluut niet

je duwt me onzacht voort
ik ga waarheen je me gebiedt

je behandelt me als een slaaf
ik hou van een meester met pit

je laat je zweepjes  knallen
maar er is niets waarvan ik verschiet

je dwingt me met folterende pijn
toch wil ik dat je me niet ontziet

je bindt me aan een ring
en ook dat bevecht ik niet

je opent je doos vol klemmen en tangen
ik bespied benieuwd je trukenkit

je besmeurt me met een witte gel
ik ril van deugd terwijl je giet

je schuurt me ruw en krabbend
ik denk dat ik hevig geniet

je ontvet me met een sponsje
ik voel me stilaan fit

je kletst me plagend de benen
en ik verlang al naar de rit

plots ontruk je me de nagels
maar ik gil helemaal niet

je schroeit me met heet metaal
maar ik voel de pijn niet

je slaat me ruw en vierkant
en toch beluister ik kalm je lied

je mept me als beloning
en bevrijdt me van ketting en bit

je laat me bedroefd achter
en ik dank je ….

… je was een goede smid !