Archief | juni 2014

De Cartoonist

hij verstuikt zijn ongeremde geest
op iets actueel,
broedt spiritueel
en ziet zijn kans schoon

achter zijn bontgevlekte leest
wordt hij surreëel,
bet vlug zijn penseel
en ontbindt zijn demoon

als een onbedaarlijk tempeest
kliedert hij in roes,
doorbreekt de taboes
rond kerk, kruis of kroon

zodra het perkament werd gevleesd
met verve gevoed,
licht ieder zijn hoed :
het is buitengewoon !

Advertenties

Traben Trarbach

onder een zon die flanken scheert
en morgenzacht de ranken streelt
waart ijl een neveldampend waas
over het koele water

hoog in de zomerse vallei
siert in een schitterend corbeille
het goud van jaarlijkse cultuur
dit oogstrelende kader

ergens onder een schaliedak
bulken straks trossen in een bak
waaruit een pers hen knarsend drijft
in vaten van geklater

 

 

Stromboli

tijdloos blauw
ontrolt in schuim
over vulkanisch puim
ziedend witgrauw

een gitzwarte pluim
pompt kringelend op
uit de rokende top
verhoest zich een fluim

onder nachtelijke hoed
richt visser en matroos
zich met vaste tussenpoos
op zijn helle magmagloed

nu bewierookt de krater
zijn Homerisch verleden
en boogt zich in ’t heden
op een onsterflijk later

Schoorsteen

ooit was zijn hart een haard van vuur
geborgen als een warm foyer
bij nacht, op elk onzalig uur,
gaf hij het dorp zijn walmgloed mee

een eeuw lang torste hij ‘t gewelf
boven de kleine goegemeente
trotseerde stormen en geweld
soms krakend in zijn ruggebeente

onder zijn wegroestende gespen
kwijnt nu het metswerk, oud en ziek
heel solitair buigen zijn resten
zich stervend boven de fabriek

Cumulonimbus

zie ons tergend
zie ons dreigend
soms doorluchtig
soms zwaarlijvend
‘schoon wij soms
jou ‘t licht verheelden
vond j’in ons
vaak scheppingsbeelden
erken in ons
jouw hemelbrug
veldmijmerend
vanop je rug

 

 

Navarone

donker drijft het westen
aambeeldend, dreigend zwart,
met hagelrijpe kruinen
en bonzend onweershart

vonklichtend laadt dit kluwen
zich knetterend op gang
en jaagt boeren en telers
meedogenloos op stang 

hun drachtige plantages
weren zich totterdood
met knallen en met schoten
en hemels hagellood

 

Zeeuws

de zonnevlegel dorst de velden
onder een juk van stilte en rust
het koele water van de Schelde
trekt zilverklotsend richting kust 

dampend trillen de horizonten
terwijl de ploert hardnekkig brandt
sleepboten trekken mastodonten
huizenhoog boven ’t Zeeuwse land 

in polders tussen sas en sluis
vierde het smokkelwerk hoogtij
de botermeisjes, braaf en kuis,
lachten zich gul door gaard en wei

van Saeftinghe tot in het Zwin
zag men weleer de molens dansen
wijl in het land van Philippine
de mosselpot de Belg liet schransen