Archief | juli 2014

Manon

tegen de heuvel, dor en droog
van maquis, grindzand en rotskeien,
vecht zich een ezel traag omhoog
langsheen verlaten boerderijen

de pendel uit een verre bron
houdt zich soms koppig stil en star
het water, klotsend uit de ton,
smeert het geratel van de kar

eens boven bij de laatste bocht
hoort men de bultenaar ‘hòò ! halt !’
Jean veelt de kannen met het vocht
terwijl Manontje het lastdier stalt

vanuit een bosje spiedt een stel
hoe volhardend die man blijft sproeien
zij dempten hogerop de kwel
zodat zijn oogsten zouden schroeien

de gluiperds mikken op zijn grond
(want die indringer moet snel wijken !)
zij sloten dit duivels verbond
opdat ’s mans hoop vroeg zou bezwijken

de hitte is hun zegen Gods
tot de sukkel’s moegetergd afgrijzen :
de grond versteent tot op de rots ;
dit zou weldra een tol gaan eisen

zijn hard gevecht met de natuur
valt hem nauwelijks te benijden ;
hij wordt onwel en gauw slaat ’t uur
van zijn plots schielijk overlijden

het jong gezin, in rouw gedompeld,
verlaat ontmoedigd ’t boerenpand ;
de ezel bokt en stokt en strompelt :
Manon’s popje valt in het zand

het meisje loopt wenend en zeurend
het mulle wegeltje weer om,
en ziet hoe buren zich bescheuren
bij ’t delven naar een frisse bron …

 

Tien jaar later ….

 

wiedend tussen het jong plantsoen,
fleurend bij vers frisbronnend water,
horen de telers boven ‘t groen
ver hoefgetrappel en geratel

het span komt recht hun richting uit
met aan zijn boord een jongedame :
asblond van bles en blank van huid
arriveert daarginds Jean’s erfgename

zij herkent goed de hypochrieten
die zich thans reppen haar te groeten
Manon ziet hoe hun anjers schieten
en sterkt zichzelf met : “zij gaan boeten !”

bij ’t jeu des boules volgen geladen
blikken vanonder strooien boord
het weeskind waarvan zij de vader
samen zwijgend hebben vermoord

zij hoedt de geiten op de berg
en treft er elke rots en spleet
zo dringt ze door tot in het merg
waar ‘t water ’t eerst naar buiten treedt

als vergelding voor haar vaders’ dood
dempt zij de bron met leedvermaak
met de hitte als haar bondgenoot
biedt zij dit gruweldorp haar wraak …

Advertenties

De ladder danst niet meer

takken treuren kreunend
onder zwaarrijpend ooft
de vrijheid van de ladder
werd door twijgen geroofd

een distel schiet eenzelvig
langs ’t koeienpad omhoog
ten teken dat zich niemand
nog naar d’hoeve bewoog

waar dieren zijn verdwenen
en de akker in hooi schoot
daar vond het wild t’rug leven
en de oude boer de dood …

Zomernacht

terwijl een vleermuis schichtig
de nok van het dak ontschiet
zoekt een nachtvlinder plichtig
welke kelk nog honing biedt

kruinen doemen dominant
dreigend in de duisternis
muggen zwermen delirant
rondom dotterbloem en lis

een zacht briesje maakt het zoel
wijl de sterrenbeelden klimmen
onder Cassiopeia’s stoel
zie ik ’t rijk der muzen schimmen

De ladder danst

een late hond sterft blaffend weg
in de aanhef van de zomernacht
langsheen de bogaard lijnt de heg
de manden waarin ’t plukfruit wacht

wielen knarsend in het grind
wekken de zongebruinde krachten
zodra de knecht de paarden bindt
verlaadt men stil de zomervrachten

het duister valt als kar en ruinen
tot stilstand komen bij de poort
swijlst danst boven de lege kruinen
de ladder zat zigzaggend voort

Alpe d’Huez

net had ik de klim gewonnen
van de koninginnerit
door de media besprongen
werd ik plots een wereldhit

columnisten van L’Equipe
peilden naar mijn Ronde-kansen
weer een Belg die met een stip
‘n poep liet ruiken aan de Fransen

kurken knalden luid en talrijk
tifosi joelden door de straat
babes en missen uit heel Frankrijk
wilden met mij op de plaat

opgezweept en zegedronken
hoorde ik aanvanklijk niet
de bevelen en het bonken
van de Tour-gendarmerie

mannen in het blauw met pet
sloegen mij strak in de boeien
daarna in hun camionnette
waarop de sirenes loeiden

zwaarbeduusd op d’achterbank
zag ik bloedpikuren naad’ren
tierend over dope en drank
duwden ze die in mijn aad’ren

’t wit van mijn bolletjestrui
kleurde rood van ’t spuitend bloed
toen men mij op de fauteuil
krachtig scheidde van mijn broek

buisjes en andere slangen
dreef men om mijn edelwerk
knijpend met steriele tangen
spoot d’urine door het zwerk

ook mijn haar moest het ongelden
scharen zochten om een spriet
hun chef ging toen aan het schelden
over mijn hematochriet

slingerend door haarspeldbochten
langs rotsen, onherbergzaam,
zag ‘k hoe paparazzi vochten
met hun Canon door het raam

ik dekte mij en sloot de ogen
ik vervloekte de ploegarts
nooit meer zou ik hem geloven
mijn carrière werd een frats

plotsklaps ging de wagen zwalpen
‘k opende mijn ogen in paniek
ik zag die beelden van de Alpen
bij een Sporza-generiek

Genie aan ’t werk

de pioniers nemen gedreven
hun vuurwerktassen van de haak
het order werd zopas gegeven
voor een snode vernielingstaak

de road&bridge-kaart wordt gevouwen
de explosieven opgehaald
tussen de ladders en de touwen
schikt men het pyro-materiaal

klimmend en hangend wordt halsbrekend
het kunstwerk minutieus verkend
de knalkoordlengte wordt berekend
voor een correct compassement

boorgaten worden aangebracht
dispositieven voorbereid
precies op punten waar de kracht
het efficiëntst wordt ingeleid

ontstekers, op het koord geknepen,
schuiven omzichtig in het kruit
waarna de sectiechef tevreden
de trage lont ontrolt en sluit