été indien

een indiaanse zomer
kleurt luchten rood en geel
voor dichter en voor dromer
een heerlijk tafereel

uitwervelende kerven
door ‘t nazomerse blauw
doen mijn gedachten zwerven
over ons haspengouw

op ‘t randje van begeven
vorderen karren vol
door paardenkracht gedreven
langs wegen, diep en hol

de lege vruchtenstammen
wuiven het span vaarwel
dat wegzakt achter kammen
in okerend aquarel

Verzonken kerkhof

de dreef druipt ‘t drijvend onweer na
en walmt zijn dauwen klammend uit
grauw harsgewelf hangt nat en zwaar
en zwanger over ’t giftig kruid

een kruis, verweerd, arduingehouwen,
dat eeuwenoude rouw verhaalt,
biedt ’t nachtelijk vendel vertrouwen
dat onder donderknarsen dwaalt

in ’t wild struweel, waar ’t pad vervaagt
en zich schofthoog door netels snijdt,
wordt rag en varenvlies ontmaagd
totdat men ‘t zompig veen bereikt

hun hoeven zakken diep in ’t kwel
onder hectaren broek en duister
tot veeg een schicht het veld verhelt
en ‘n witte veengeest paarden kluistert …

 

aaaargggh ….

 

De Spookvlieger van Brustem

hemelhoog begluurt der Spuk
het NAZI-vliegveld onder zich,
ver uit ’t bereik van het geschut
dat zich een nachtstelling inricht

zodra de duisternis invalt
legt hij z’n Spitfire-motor stil
en glijdt in duikvlucht steil en pal
spiralend om een haakse spil

die Abwehr vuurt met volle kracht
maar ‘t kogelspoor dooft zich armzalig
de Spookvlieger daagt elke nacht
en maakt hun startbanen pokdalig

“Aber wer – scheiße ! – ist denn das !?”
“verstärken Sie die Luftschutzwaffe !!”
“Der Krieg um England ist ganz heiß
und er bedroht die Bomberstaffel !”

weer stijgt een Junker op als gek
doch valt als een brandende toorts
vanuit het duister wolkendek
brengt één solist den Führer koorts

de Truienaars horen en zien
en lachen stiekem in hun vuist
men vraagt zich af, bij stil gegrien :
“Wie is die held die ‘t luchtruim kuist ?”

Mei 1943

de zoon van Graaf Menten de Horn’
staat lang getipt in de pronostiek,
maar na zijn crash in uniform
stoppen de spookaanvallen niet

hemelzoeklichten, neerhaalzones
worden verwoed geïnstalleerd
maar virtueus zijn diens capsones
die Junkers feilloos torpedeert

11 Mei 1943

de held vliegt nu in tweeromp-Lightning
waarmee hij de vijand durvend pest
zijn staart loodst met subtiele zwenking
een Jäger recht naar ’t Abwehr-nest

de FLAK-kogels scheren zijn oren
en halen zijn Verfolger neer,
maar gaan nu ook zíjn kist doorboren :
het Spook verdwijnt en keert niet weer …

12 Mei 1943

bij Osnabruck, in het Teutowald,
vinden herders een gecrasht piloot :
Herr Steinmann die hem snel bijvalt
ziet zijn gevecht met de gruweldood

reutelend reikt deze hem bevend
een felbegeerd RAF-zakuurwerk,
met bede ‘t zijn broer terug te geven
zijn woord, zijn ziel verzwindt in ’t zwerk …

05 juni 1943

na weken van vertwijfeling
herkent men ’s nachts plots weer ‘t gegier
(tot vreugde van de stedeling)
van de naamloos stuntende vliegenier …

een gigadump kérosène bij Staaien,
de brandstof voor de bomber-vloot,
staat met één raid in lichterlaaie :
de vuurgloed kleurt Sint Truiden rood

het eskadron, bestemd voor Londen,
wordt aanhoudend bestookt, geknecht
die Anlage wordt bij nacht geschonden
en steeds wint ‘t Spook het luchtgevecht

de Kommandant van ’t Brustems veld
wordt naar het Oostfront gemuteerd
de bruut Seemann wordt aangesteld,
één die op Göring-relaties teert

Mei 1944

vanuit Berlijn komt een Luft-killer,
met Eikenloof fier aan de riem :
Herr Major Weste draagt dunkle Brille
zijn nachtzicht is dan ook subliem !

gevaarlijk oogt zijn Messerschnitt
met zwaargetande haaiemuil,
geschilderd rood op groene cockpit …
daarin houdt zich der Teufel schuil

en met Max Steinmann aan zijn zijde,
een ex-piloot, puik marconist,
schoot hij er tientallen ter weide :
nog nooit had hij er één gemist !

22 Mei 1944

op een zonterras op de Grote Markt
(met zicht op ’t Truiens vrouw’lijk schoon)
wordt snode aan hun plan geharkt
met stoerheid en macho-vertoon

ook nu is Max weer vol vertrouwen :
hij draagt zijn grootva’s talisman :
het RAF-uurwerk zit dichtgevouwen
maar tikkend in zijn Mipolam

’s nachts nemen ze elk een machine
en wachten cirkelend op die ‘kid’ :
Max in zijn Focke Wulf-cabine
en Weste in zijn Messerschnitt

“Dààr is hij !” schreeuwen ze elkander
en splitsen weg, elk naar een kant
het Spook laat zijn kanonnen branden
en giert en tolt en scheert en vlamt

de Lightning klimt hoog in de wolken
“Verdammter Schweinhund !” klinkt het fel
plots daagt het op, in valvlucht kolkend,
recht naar de staart van Max’ toestel

“Nach unten, schnell !” brult de Majoor
en scheert zichzelf achter de Geest
de drie jagen nu in één lijn door
das Spuk in ’t midden, onbevreesd …

“Raktaktak !” klinkt door de nacht,
een vliegtuig brandt en valt als lood
op ‘t rokend wrak herkent de wacht
een Hakenkruis maar geen piloot …

bij zonsopgang treft men Max Steinmann
in ‘t veld met een doorzeefde borst
“Die Tommy-Uhr war sein Untergang !”
weent Weste die naar weerwraak dorst

maar gauw blijkt uit het onderzoek
dat het Messerschnitt-kogels betrof
het uurwerk had hem dus behoed
voor de Tommy, maar niet voor de Mof …

25 Mei 1944

uit wraakzucht om zijn gevallen vriend
klimt Weste ’s avonds opnieuw ten hemel,
wachtend tot hij zich weer aandient
tussen het flonkerend sterrengewemel …

Seemann codeert hem “Spuk im Anflug !”
maar Weste sloot zijn radio af
“Hem die mijn maat de dood injoeg
help ik ganz solo in het graf !”

hardnekkig vuurgevecht ontbrandt :
geen onderbreking, geen gevlucht
de spanning stijgt en ook op ’t land
volgt men de strijd hoog in de lucht

Weste laveert verwoed zijn kist
tot in de staartstraal met een zwik
vizier geconcentreerd, gespitst
richt hij en mikt en drukt en … ‘klik’

zijn wapens leeg … dit is fataal !
enkel zijn kist is nog een wapen
hij wijkt uit ‘t zicht en gaat frontaal
die Lightning uit de hemel schrapen

seconden vliegt hij in ‘t vizier
van hem die steeds ongrijpbaar leek,
negeert diens kogelregen fier
en stuurt zich naar een dodensteek

een vuurbal eindigt dit verhaal
en Weste’s lijk gaf een uurwerk
op Stanislas Siludski ’s naam,
het Spook de foto van diens zerk …

Mijn ongeschoeide muze

gracieus, valend, overmand
schrijdt ze door de slore grepen
waarheen letters zich verslepen
over brak en venig land

ze kneedt voetig ’t wakke deeg
en dregt doorluchtig de voorden
tot een leibeek naar de woorden
die ze welft met fiere zeeg

met de slagen van haar pers
waarin ze de jamben boeit
en de dissonant wegsnoeit
drijft ze het welluidend vers

eens het kwatrijn is gesokkeld
zoekt ze waar het rijm zich kneust
en weerhoudt het harmonieust’
ritme dat mijn drang versmokkelt

Saffraan

saffraan mijnheer ? dààr, achter ‘t veld
          waar ’t karrespoor in ‘t rul verzandt
          waar de heuvelrug zich geel verkant
          en pluizen zwermen over ‘t land
daar vindt u vast wat voor u telt !

de oude man schoudert zijn zeis
          zwaait nog zijn klak vol goede moed
          zoals men dat bij afvaart doet
          laverend tussen zwart wrakgoed
ten oorlog, op een laatste reis

als ik eindlijk de geuren ruik
          wijl ‘k mij borsthoog door distels snijd
          voel ‘k mij vermoeid maar ook verblijd
          tot plots een bosadder mij bijt
en ik verlamd ten gronde stuik

geluid van vreemde origine
          wekt mij bij ’t schijnsel van de maan
          waarbij mijn neus glimt van saffraan
          en ik halfblind lichten zie slaan
en klauwen van een dorsmach…

 

Manon

tegen de heuvel, dor en droog
van maquis, grindzand en rotskeien,
vecht zich een ezel traag omhoog
langsheen verlaten boerderijen

de pendel uit een verre bron
houdt zich soms koppig stil en star
het water, klotsend uit de ton,
smeert het geratel van de kar

eens boven bij de laatste bocht
hoort men de bultenaar ‘hòò ! halt !’
Jean veelt de kannen met het vocht
terwijl Manontje het lastdier stalt

vanuit een bosje spiedt een stel
hoe volhardend die man blijft sproeien
zij dempten hogerop de kwel
zodat zijn oogsten zouden schroeien

de gluiperds mikken op zijn grond
(want die indringer moet snel wijken !)
zij sloten dit duivels verbond
opdat ’s mans hoop vroeg zou bezwijken

de hitte is hun zegen Gods
tot de sukkel’s moegetergd afgrijzen :
de grond versteent tot op de rots ;
dit zou weldra een tol gaan eisen

zijn hard gevecht met de natuur
valt hem nauwelijks te benijden ;
hij wordt onwel en gauw slaat ’t uur
van zijn plots schielijk overlijden

het jong gezin, in rouw gedompeld,
verlaat ontmoedigd ’t boerenpand ;
de ezel bokt en stokt en strompelt :
Manon’s popje valt in het zand

het meisje loopt wenend en zeurend
het mulle wegeltje weer om,
en ziet hoe buren zich bescheuren
bij ’t delven naar een frisse bron …

 

Tien jaar later ….

 

wiedend tussen het jong plantsoen,
fleurend bij vers frisbronnend water,
horen de telers boven ‘t groen
ver hoefgetrappel en geratel

het span komt recht hun richting uit
met aan zijn boord een jongedame :
asblond van bles en blank van huid
arriveert daarginds Jean’s erfgename

zij herkent goed de hypochrieten
die zich thans reppen haar te groeten
Manon ziet hoe hun anjers schieten
en sterkt zichzelf met : “zij gaan boeten !”

bij ’t jeu des boules volgen geladen
blikken vanonder strooien boord
het weeskind waarvan zij de vader
samen zwijgend hebben vermoord

zij hoedt de geiten op de berg
en treft er elke rots en spleet
zo dringt ze door tot in het merg
waar ‘t water ’t eerst naar buiten treedt

als vergelding voor haar vaders’ dood
dempt zij de bron met leedvermaak
met de hitte als haar bondgenoot
biedt zij dit gruweldorp haar wraak …